Meerkeuze-examen

print

Een meerkeuze-examen (ook wel multiplechoice-examen genoemd) bestaat uit een reeks vragen waarbij je per vraag een aantal antwoordalternatieven gepresenteerd krijgt. Daaruit moet je het juiste antwoord aanduiden.

Bijvoorbeeld:

De gemeente Herentals ligt in de provincie:

a.  Limburg
b. Antwerpen
c. Vlaams-Brabant
d. Oost-Vlaanderen
 

Meerkeuzevragen zijn vooral gericht op weten, begrijpen en toepassen. Het gaat zeker niet louter om feitenkennis, ook inzicht kan bevraagd worden. Je docent kan je bijvoorbeeld een korte casus, krantenartikel, grafiek, figuur of tabel voorleggen gevolgd door een aantal inzichtsvragen.

  • Lees en bestudeer de verplichte leerinhouden en literatuur. Besteed extra aandacht aan nauwkeurige formulering, afbakening van begrippen en definities, toepassingsgebeid van theorieën, wetten, formules,…
  • Leer niet puur op herkenning! Je hoeft weliswaar geen antwoorden neer te schrijven, maar dat betekent niet dat je de leerinhouden niet grondig moet studeren en begrijpen. Om het juiste antwoordalternatief te kunnen onderscheiden van de foutieve afleiders, moet je de leerinhouden net zeer goed beheersen. Nauwkeurigheid en volledigheid zijn dikwijls nog belangrijker dan bij andere beoordelingsvormen.
  • Maak een samenvatting en giet die eventueel in een mindmap. Door een mindmap te maken krijg je een goed overzicht van de samenhang tussen de verschillende onderdelen.
  • Leg moeilijke onderdelen uit aan een medestudent. Op die manier kom je te weten of je alles echt begrijpt. Indien je sommige onderdelen niet zo goed beheerst, bestudeer je de inhouden nogmaals en oefen je verder in.
  • Oefen de methodiek van een meerkeuze-examen vooraf in een niet-gestresseerde situatie.
    • Je kan oefenen met voorbeeldexamenvragen die de docent besprak tijdens de contactmomenten of met examenvragen uit vorige academiejaren. Zorg ervoor dat je de redenering begrijpt achter het antwoord; leer deze antwoorden zeker niet uit het hoofd.
    • Via http://www.leidenuniv.nl/ics/sz/so/mctent/tvrg.html kan je een voorbeeldmeerkeuze-examen doorlopen. Na elkaar worden tien vraagstukken gepresenteerd. Gebruik zonodig potlood en papier om ze op te lossen. Kies het beste antwoord en klik dat antwoord aan.
  • Slaap voldoende de nacht voor het meerkeuze-examen.
  • Werk met een rondesysteem:
    • Vul in de eerste ronde de vragen in waarop je het antwoord weet. Sla over wat je niet weet.
    • Vul in de tweede ronde de moeilijke vragen in. Sla de zeer moeilijke vragen over.
    • Neem in een derde ronde de tijd voor de zeer moeilijke vragen.
  • Lees heel zorgvuldig de vraag en de antwoordalternatieven. Zoek de sleutelwoorden. Lees zorgvuldig, maar zoek er ook weer niet te veel achter. Interpreteer zeker niet alle vragen als strikvragen. Let goed op het woordgebruik in de vragen (bv. niet, steeds,…).
  • Zoek het ‘beste’ antwoordalternatief en niet het 100 % ‘perfecte’ antwoord. Sommige antwoordalternatieven zijn echt ‘onzin’, andere antwoordalternatieven zijn alleen maar ‘minder juist’.
  • Bedenk eerst een eigen antwoord. Op die manier gaan de antwoordalternatieven je niet verwarren. Bedek hiervoor de antwoordalternatieven met je hand of met je kladblad.
  • Bij vier antwoordalternatieven geldt over het algemeen:
    • Een van de vier alternatieven is duidelijk onjuist.
    • Een tweede alternatief blijkt met enig nadenken niet juist te zijn.
    • Bepaal nu welke van de twee overblijvende alternatieven het beste is.
  • Hou de tijd in het oog en gebruik hem efficiënt.
    • Blijf niet te lang hangen bij een vraag waarover je twijfelt.
    • Lees de vragen ook niet te snel.
    • De tijdsduur voor de afname van een meerkeuze-examen varieert tussen 1 en 3 uur, afhankelijk van het aantal meerkeuzevragen en het aantal antwoordmogelijkheden.
      • Voor een meerkeuzevraag met 4 antwoordalternatieven wordt een gemiddelde antwoordtijd van 75 seconden voorzien.
      • Voor een meerkeuzevraag met 3 antwoordalternatieven is er 60 seconden antwoordtijd.
  • Het kan helpen om bij aanvang van het examen de titels van je hoofdstukken in de juiste volgorde op je kladblad te schrijven. Ga bij iedere vraag na, in welk hoofdstukken deze vraag besproken wordt.
  • Los de vragen eerst op je kladblad op, en neem ze aan het einde van je examen over op de kopij voor de docent.
  • Soms krijg je twee documenten bij een meerkeuze-examen: een vragenbundel en een antwoordformulier.
    • In de vragenbundel staan alle vragen met alle antwoordalternatieven.
    • Op het antwoordformulier staan geen vragen of antwoorden, je moet er alleen op aangeven welk alternatief jij verkiest. Dat doe je door een bolletje in te kleuren bij a b c of d. Het is dat antwoordformulier dat gecorrigeerd zal worden.
  • Soms worden antwoordformulieren gebruikt die door een softwarepakket automatisch verwerkt worden. Let hierbij op het volgende:
    • Kleur de bolletjes zorgvuldig in. Indien je buiten de lijntjes kleurt, kan het softwareprogramma jouw antwoord immers niet meer herkennen.
    • Concentreer je goed op de vraagnummers!
  • Een meerkeuze-examen kan op papier afgenomen worden of digitaal via een online leerplatform.

Onthoud volgende vuistregels als je twijfelt:

  • Blijf niet te lang hangen bij een vraag waarover je twijfelt.
  • Lees de vraag en de alternatieven nog eens zorgvuldig en vergelijk de sleutelwoorden.
  • Als je goed bent voorbereid en de vraag nauwkeurig hebt gelezen, is de eerste indruk meestal de beste.
  • Panikeer niet. Het is niet omdat je die ene meerkeuzevraag niet vlot kunt beantwoorden dat je de volgende vraag daarom ook niet weet. Een meerkeuze-examen bevat meestal een groot aantal vragen, zodat je over veel verschillende leerinhouden bevraagd wordt.
  • Zoek geen patroon in de letters van de juiste antwoorden. Alles is mogelijk. Denk je vier keer na elkaar dat het juiste antwoord onder (a) valt, dan duid je dat zo aan. Onthoud dat de antwoordalternatieven in willekeurige volgorde verschijnen.
  • Aangezien bij een meerkeuzevraag het juiste antwoord tussen de gegeven antwoordalternatieven staat, hoef je het juiste antwoord niet zelf te produceren. Dat betekent dat je zou kunnen gokken en lukraak een van de antwoordalternatieven kunt aankruisen. Bij vier alternatieven is de kans op een juist antwoord 25 %, bij drie alternatieven is het 33 %. Gok echter pas in allerlaatste instantie. Denk eerst goed na of je het juiste antwoord weet.
  • Informeer of er een giscorrectie wordt toegepast. Dat betekent dat er per foutief antwoord een correctie doorgevoerd wordt. Je krijgt niet enkel punten voor een juist antwoord, maar je verliest ook punten bij een fout antwoord. Een giscorrectie bepaalt mee of het verstandig is om te gokken. Je leest meer over een giscorrectie bij 'Hoe ga ik om met een giscorrectie?’.

Soms wordt het mogelijke gokgedrag van studenten opgevangen door een giscorrectie in te bouwen. Dat betekent dat je punten krijgt voor het percentage goed gegeven antwoorden, maar dat je voor foute antwoorden punten verliest. Meestal trekt de docent 1/ (aantal antwoordalternatieven – 1) af als het antwoord fout is.

Bijvoorbeeld: Bij een meerkeuzevraag waar je kan kiezen uit 4 antwoordalternatieven kies jij antwoord b. Het juiste antwoord is echter alternatief a. Van je totaalscore wordt 1/3 afgetrokken.

  • Als er geen giscorrectie wordt toegepast, beantwoord je het beste alle vragen. Je kan immers alleen punten verdienen en niets verliezen.
  • Als er een giscorrectie wordt toegepast, moet je – als je twijfelt over het antwoord - de keuze maken tussen ofwel het antwoord openlaten ofwel gissen. Als je het antwoord openlaat, worden er geen punten afgetrokken worden als het fout is. Als je een antwoordalternatief aankruist, kan dat wel; maar je kan natuurlijk ook punten verdienen als je het juiste antwoord aanduidde. Als je twijfelt, is het aan te raden om toch te gissen als je een aantal antwoordalternatieven kan uitsluiten. Als je het helemaal niet weet, gok je beter niet.

Als je op het einde alle meerkeuzevragen nog eens overloopt, verander dan niet in paniek al jouw antwoorden. ‘Verbeteren’ wordt dan eigenlijk ‘verslechteren’. Corrigeer alleen op grond van een nieuw inzicht. Corrigeer niet omdat je onrustig wordt of sterk begint te twijfelen.

  • De docent licht je op voorhand in over de wijze waarop het meerkeuze-examen zal plaatsvinden: beschikbare tijd, op papier of digitaal, al dan niet met giscorrectie,…
  • Tijdens de contactmomenten of in het cursusmateriaal kan de docent voorbeeldexamenvragen opnemen.
  • De docent bepaalt de slaaggrens. Soms wordt vooraf vastgelegd dat je een bepaald percentage van de vragen juist moet beantwoorden vooraleer je kan slagen. Bijvoorbeeld: ‘Je moet 60 % van de vragen juist beantwoorden om te kunnen slagen’.
  • Je krijgt een cijfer op basis van de goed en fout beantwoorde vragen en een eventuele giscorrectie, rekening houdend met de slaaggrens.
  • In een nabespreking krijg je zicht op wat je wel of niet goed begreep.
  • Op vraag kan je tijdens de feedbackdag het meerkeuze-examen inkijken.

Volgende referenties werden gebruikt bij de samenstelling van deze informatie in Studielicht. Je kan er zelf ook meer bijkomende tips terugvinden: