Mondeling examen

print

Een mondeling examen is een evaluatievorm waarbij aan de hand van een gesprek tussen de docent en de student wordt nagegaan in welke mate de student de vooropgestelde doelstellingen beheerst. Een mondeling examen wordt vooral gebruikt om inzichten, vaardigheden, attitudes en/of competenties te beoordelen die schriftelijk moeilijker na te gaan zijn (vb. een standpunt verdedigen, kritisch denken, argumenteren, enz.)

 

Bij een mondeling examen wordt voornamelijk gewerkt met een beperkt aantal open vragen. Een open vraag is een vraag waarop als antwoord een lange(re) uiteenzetting verwacht wordt. Het zijn dus meestal geen meerkeuzevragen of ja-neevragen.

 

Soms krijg je de vragen schriftelijk gepresenteerd. Soms mag je zelf de vragen trekken uit een stapel kaartjes. Meestal krijg je een schriftelijke voorbereidingstijd. De docent kan tijdens het mondeling examen bijvragen stellen ter verduidelijking van jouw antwoord.

  • Probeer zoveel mogelijk informatie te verzamelen over de gang van zaken. Soms vind je deze informatie bij het examenrooster. Stelt de docent veel vragen of is het meer een gesprek? Heeft de docent stokpaardjes: dingen waarvan je weet dat hij er veel belang aan hecht? Wil de docent de grote lijnen of ook de details horen? Hoeveel tijd is er voorzien per student? Kan je de antwoorden schriftelijk voorbereiden?
  • Een mondeling examen is als het ware een demonstratie van hardop denken over de stof. Oefen dat met anderen. Spreek over de stof. Studeer luidop of laat je bevragen. Hierdoor raak je getraind in het onder woorden brengen van wat je weet.
  • Zorg ervoor dat je de leerinhouden goed begrijpt. Een mondeling examen is een ideale vorm om naar inzicht te peilen. Als je klakkeloos inhouden uit het hoofd leert, val je meestal door de mand.  
  • Vermijd volledige zinnen bij je schriftelijke voorbereiding. Beperk je tot een kort en gestructureerd antwoordschema met enkel de kernwoorden, tenzij de docent dat anders heeft gevraagd.
  • Houd de tijd in de gaten.
  • Benut het mondelinge gesprek om aan te tonen dat je de beoogde competenties bezit. De mondelinge toelichting is belangrijker dan het schriftelijke gedeelte, ook al geef je nadien de schriftelijke voorbereiding af aan de docent.  
  • Trek verzorgde kledij aan waarin je je comfortabel voelt.
  • Probeer een rustige, vriendelijke en zelfverzekerde houding aan te nemen. Ga rechtop zitten en maak regelmatig oogcontact.  
  • Luister goed naar de vraag.
  • Laat je niet van de wijs brengen. Als je de vraag niet onmiddellijk begrijpt, vraag uitleg aan de docent of herformuleer de vraag. Bijvoorbeeld: “Als ik het goed begrijp, dan vraagt u naar …”. Let op eventuele reacties of toevoegingen van de docent.
  • Zeg vooraf wat je allemaal gaat toelichten in je antwoord en begin daarna met je uiteenzetting. Bijvoorbeeld: “Ik overloop eerst de kenmerken van de gotische stijl en vervolgens geef ik een paar voorbeelden van gotische gebouwen in Gent.”
  • Geef een kernachtig en logisch gestructureerd antwoord.
  • Situeer je antwoord in het geheel van de cursus.
  • Laat horen wat je weet. Neem rustig de tijd om je betoog te ontwikkelen. Als je goed in de stof thuis bent, dan lijken sommige elementen zo voor de hand liggend dat je ze vergeet te vertellen. Illustreer zo nodig met passende voorbeelden.  
  • Antwoord op een dynamische en boeiende manier. Vermijd eentonigheid en afdreunen.
  • Vertel het antwoord in plaats van het af te lezen zonder enig oogcontact.
  • Zeg liever: “Ik denk er even over na.” of “Ik zoek de juiste term.’ in plaats van een langgerekte ‘Euh…’.
  • Verzorg je taalgebruik, maar overdrijf niet. Enkele voorbeelden van veel voorkomend onverzorgd taalgebruik (Bron: Syllabus communicatieve vorming – taal – 1 OSO - Arteveldehogeschool):

- ontbrekende slotmedeklinkers: da’, wa’, nie’, goe’, ma’

- ontbrekende h: ‘elemaal, ‘ebt, g’ad

- verkeerd lidwoord: de moment, het stad

- verkeerd verbindingswoord: lidwoord bij persoonsnaam of namen van tijdschriften: de Jan, de professor Van Herck, de Humo

- ekik voor: ik

- gij voor: je

- verbogen lidwoorden: ne jongen, nen boek, e secondje

- verbogen voornaamwoorden: mijnen boek, hare jas, onzen auto, dienen hond

- verkleinwoorden op –ke: meiske, boekske, bloemeke

- van of voor in plaats van om: We probeerden van op tijd te komen. Hij vroeg voor te gaan zwemmen.

- van in plaats van dat: hij zegt van, ik denk van

- twee keer gaan: We gaan gaan zwemmen.

 

  • Eindig je uiteenzetting altijd met een besluit waarin je je antwoord samenvat.
  • Pieker na het examen niet over je quotering. Docenten zullen op het einde van het mondeling examen niet meedelen hoeveel je behaald hebt. Een 'goed' of 'je mag gaan' of 'volgende' heeft niet noodzakelijk de betekenis die jij eraan probeert te koppelen.
  • Mocht je niet geslaagd zijn, dan denk je best over het volgende na: Wat ging er goed? Wat ging er fout? Had je (on)voldoende inzicht in de leerinhouden? Werd je verrast door de gang van zaken?