Schriftelijk examen met open vragen

print

Een schriftelijk examen met open vragen is een examen met vragen waarop meestal een uitgeschreven antwoord wordt verwacht.

 

Er zijn verschillende vormen en benamingen: essaytoets, examen met essayvragen of casustoets. Een casustoets is een specifieke toets: hierin wordt er een reëel probleem uit de beroepspraktijk gepresenteerd dat je dient op te lossen of te bespreken met behulp van de kennis en vaardigheden die in de lessen aan bod kwamen.

  • Zorg dat je de inhouden goed beheerst.
  • Verlies tijdens het studeren geen tijd door de volledige cursus over te pennen. Oefen wel de schrijfwijze van moeilijke woorden in. Ook formules, data en namen schrijf je best eens neer.
  • Voor taalexamens is het belangrijk dat je de grammaticaregels en nieuwe woorden inoefent door te schrijven.
  • Los voorbeeldexamenvragen op en bekijk modelantwoorden. Die geven je al een beeld van wat de docent van jou verwacht.
  • Kijk of er informatie is over de schriftelijke toets: hoeveel vragen kan je verwachten? Zijn het invulvragen of essayvragen? Op essayvragen worden doorgaans langere antwoorden verwacht.
  • Heb je materiaal ter beschikking vb. woordenboek, atlas, rekenmachine,…?
  • Hoeveel tijd krijg je om de vragen te beantwoorden?
  • Ga na waarop de docent jouw schriftelijke antwoorden zal beoordelen, bv. door voorbeeldvragen en- antwoorden te bekijken. Ga na of er punten worden afgetrokken voor bepaalde zaken. Bv. als je de maximumruimte voor het antwoord overschrijdt, of als je spellingfouten maakt.  
  • Lees eerst alle vragen door. Zo kan je inschatten voor welke grote of moeilijke vragen je meer tijd nodig hebt.
  • Herken de verschillende soorten open vragen. Hoeveel antwoordruimte heb je? Moet je bondig antwoorden of wordt er verwacht dat je een lange open tekst schrijft? De omvang van het antwoord kan variëren van één woord tot een uitgebreide tekst.
    • Bij een invulvraag moet je slechts een of enkele woorden invullen.
      • Voorbeeld: In welk land ontspringt de Maas?
    • Bij een kortantwoordvraag moet je een kort antwoord geven. Die vragen beginnen vaak met ‘wie, wat, wanneer, waar, welke, noem, geef…’
      • Voorbeeld: Geef de definitie van het begrip ‘democratie’.
    • Bij een essayvraag moet je een uitgebreider antwoord schrijven. Die vragen beginnen vaak met ‘beschrijf, leg uit, beargumenteer…’
      • Voorbeeld: Verklaar de geografische ligging van het Oude Egypte.
  • Kijk naar de puntenverdeling/weging per vraag: Hoeveel punten kan je verdienen per vraag? Hou hiermee rekening bij het indelen van je beschikbare tijd.
  • Maak bij elke vraag snel enkele aantekeningen op je kladblad over wat je te binnen schiet.
  • Kijk ook of er op de achterkant van het vragenblad vragen staan.
  • Begin met de vragen die je makkelijk lijken. Nadien kan je je concentreren op moeilijkere vragen.  
  • Lees de vraag aandachtig, zodat je weet wat de docent van je verwacht. Moet je een begrip uitleggen? Moet je een eigen voorbeeld geven? Wordt naar je mening gevraagd of naar een objectieve weergave van feiten?
  • Duid belangrijke woorden in de vraag aan. Bv. kernwoorden, signaalwoorden zoals ‘niet’, ‘geen',…
  • Werk in een aantal stappen:
    • Stap 1: Haal de relevante elementen uit de vraag. Brainstorm. Laat in je opkomen wat bij de vraag hoort: vb. steekwoorden, ideeën, verbanden,... Op welke onderdelen in de cursus heeft de vraag betrekking? Kan je een voorbeeld geven, iets actueels toevoegen?
    • Stap 2: Schematiseer je antwoord eerst op je kladblad. Hier kan je je beperken tot kernwoorden en schema’s. Schrijf je antwoord niet volledig uit op je kladblad, daarvoor heb je niet voldoende tijd.
    • Stap 3: Herlees de vraag. Heb je alles gegeven wat er gevraagd wordt?
    • Stap 4: Hoe kan je de verschillende ideeën in één verhaal krijgen? Wat is jouw algemeen besluit?
    • Stap 5: Construeer nu je antwoord. Schrijf je antwoord over op je antwoordblad. Laat aan de docent zien wat je weet. Onderstreep de kernwoorden.  
  • Zorg dat je antwoord logisch opgebouwd is. Bij de bespreking van een probleem bijvoorbeeld wordt eerst het probleem uitgelegd en pas daarna worden de oorzaken toegelicht. Om een logische opbouw te krijgen, maak je het best vooraf een schema om je gedachten te ordenen.
  • Benadruk kernwoorden. Onderstreep ze. Laat de docent niet zoeken naar de kern van jouw antwoord, maar geef dat zelf duidelijk aan. De docent vergelijkt jouw antwoord met het modelantwoord dat vooraf is gemaakt. Een duidelijke structuur en kernwoorden kunnen hiertoe bijdragen.
  • Maak alinea’s. Alinea’s mogen niet te lang of niet te kort zijn. Een alinea is gemiddeld 6 zinnen of 10 regels lang. Scheid je alinea’s door witregels zodat je aparte blokjes tekst krijgt.
  • De alinea’s en zinnen worden verbonden met verbindingswoorden zoals ten eerste, daarnaast, bovendien, in tegenstelling tot,… Die woorden maken de samenhang duidelijk.
  • Schrijf duidelijk en leesbaar. Let op grammatica, spelling en leestekens. Zorg ervoor dat de docent je handschrift niet moet ontcijferen.
  • Denk goed na. Antwoord op een doordachte manier en niet te snel. Een antwoord op een open vraag creëer je niet in 1-2-3.
  • Hou je aan de voorziene antwoordruimte.
  • Hou de tijd in het oog. Verdeel je tijd over de vragen. Voorzie ook tijd om alles na te lezen.
  • Toon dat je de leerinhouden beheerst; maak de koppeling met relevante begrippen en theorieën uit cursus.
  • Doe wat de docent van je verwacht. Wil hij een bondig antwoord, wijd dan niet uit. Wil hij een schema, schrijf dan geen volzinnen.
  • Maak niet eerst het examen volledig in het klad, daarvoor heb je niet voldoende tijd.
  • Antwoord kort, maar krachtig. Draai niet rond de pot. Voor overbodige uitleg krijg je geen extra punten. Geef antwoord op de vraag.  
  • Lees je examen grondig na, zowel op inhoud als op taal.
    • Inhoud: Staat alles erin? Wijzig je antwoord alleen als je er zeker van bent dat het een verbetering is.
    • Taal: Spellingfouten, grammaticale fouten en andere taalfouten maken altijd een slechte indruk en kunnen je quotering negatief beïnvloeden.
  • Controleer of je alle vragen en onderdelen beantwoord hebt.
  • Als je iets niet weet, kunnen flarden kennis of redeneringen toch punten opleveren. Maar schrijf zeker geen onzin op; vermijd antwoorden naast de kwestie.