Welbevinden toont aan dat een kind zich goed voelt in zijn vel. Het zorgt ervoor dat kinderen energie hebben, nieuwsgierig zijn en dat ze zich openstellen voor het leren. De creativiteit en competenties zullen verder ontwikkelen. (Knoop, H.H., 2015)

Wanneer welbevinden bij een kind laag is, dan wijst dit er op dat het kind er niet in slaagt om zijn basisbehoeften te bevredigen. Dit wil niet zeggen dat er een sociaal-emotioneel probleem is maar het kan er wel uit ontstaan. Als er een probleem ontstaat dan kan dit leiden tot zelfvervreemding en kan het zelfvertrouwen aangetast worden. Als je als leerkracht het welbevinden bij een kleuter wilt gaan bevorderen, wilt dit niet zeggen dat je het kind moet gaan verwennen of het kind moet geven wat het vraagt. Je moet het kind de nodige ondersteuning en structuur bieden, zodat het terug in interactie met anderen kan treden en dat het weer in voeling komt met zichzelf. Het is dus essentieel dat je steeds in je achterhoofd houdt dat het investeren in welbevinden noodzakelijk is voor het kind nu, en voor de volwassene die hij aan het worden is. (Laevers, F., 2014); (Ramaut, G. & Sterckx, M., 2002)

De signalen

Genieten Spontaniteit en zichzelf durven zijnOpenheid Ontspanning en innerlijke rust Vitaliteit
  • Deugd hebben aan elkaar en aan de dingen rondom je
  • Tevredenheid 
  • Genieten met volle teugen, zonder terughoudendheid 





  • Uit je schulp komen 
  • In de meeste situaties jezelf durven zijn 









  • Ontvankelijk zijn: omgeving laten binnenkomen en tot je door laten dringen 
  • Je laten raken door wat zich aandient 
  • Zonder angst en bedreiging en zonder aarzeling ingaan op de activiteit(en)
  • Geen verkrampte spieren
  • Geen tics of grimassen
  • Geen onrust of stress te zien in de gelaatsuitdrukking 






  • Energie
  • Levenslust 
  • Levendige blik 
  • Expressief gelaat 
  • Stralen
  • Zekere trots uitdrukken 
  • Openbloeien 




De Leuvense Welbevinden Schaal

Wanneer je voldoende hebt geobserveerd en voldoende gegevens hebt verzameld, kan je een niveau bepalen volgens de Leuvense Welbevinden Schaal. 

 

Niveau 1: zeer laag  Niveau 2: laag  Niveau 3: matig  Niveau 4: hoog  Niveau 5: zeer hoog
  • Bedrukt of verdrietig kijken, huilen, roepen
  • Geen reactie op de omgeving, contact vermijden, zich terugtrekken
  • Een gejaagde indruk
  • Onzeker, angstig 
  • Boos zijn, dingen stukmaken, anderen pijn doen 

De signalen zijn minder uitgesproken of van kortere duur dan bij niveau 1. 

  • Onverschillig
  • Weinig tot geen emoties
  • Aanwijzingen voor positieve of negatieve gevoelens zijn beperkt of wisselen elkaar af
  • Contacten met anderen zijn eerder oppervlakkig 

De signalen zijn minder uitgesproken of van kortere duur dan bij niveau 5. 

  • Blij en opgewekt 
  • Spontaan, kan zichzelf zijn en toont zelfvertrouwen
  • Ontspannen
  • Geen signalen van stress
  • Stralende blik, toont levenslust, reageert energiek
  • Stelt zich open voor de omgeving 

De vier relatievelden

 Welbevinden komt vooral tot stand binnen de interacties die een kind heeft met zijn omgeving. Daarin vinden we volgende vier relatievelden terug:

  • Relatie met de leerkracht: Hierbij gaat het om de band tussen leerkracht en kind, waarbij het belangrijk is om naar de beleving van het kind te kijken en naar de beleving van de leerkracht.
  • Relatie met de medekleuters: De interacties tussen de kleuters onderling kunnen zeer uiteenlopend zijn. Je kan hierbij naar het kind als individu kijken, maar ook naar de gehele klasgroep.
  • Relatie met de klas- en schoolwereld: Hoe gaat het kind om met spelmateriaal en gedraagt het zich in de hoeken? Hoe gaat het kind om met de ruimere klascontext: klasinrichting, dagverloop, onverwachte gebeurtenissen, vreemde personen die in de klas komen, enz.?
    Hoe gaat het kind om met de ruimere schoolcontext: op de speelplaats, in de turnzaal, in de refter, in de opvang, uitstappen, enz.?
  • Relatie met de gezinsleden: Hoe beleeft het kind de relatie met zijn ouders, broers en zussen en andere personen die bij het gezin aansluiten zoals, grootouders, een onthaalmoeder, een ander familielid?

Geraadpleegde bronnen:

Laevers, F. (2014). Procesgericht kindvolgsysteem voor kleuters: achtergrond en praktijksuggesties. Leuven: CEGO Publishers.

Laevers, F., Jackers, I., Menu, E. & Moons, J. (2014). Ervaringsgericht werken met kleuters in de basisschool – herziene versie. Averbode: CEGO Publishers.

Ramaut, G., & Sterckx, M. (2002). De opvang van anderstalige nieuwkomers in de kleuterklas. Opgeroepen op augustus 23, 2017, van Werkgroep anderstalige nieuwkomers, NT2: http://www.cteno.be/downloads/an_brochure_ko.pdf

Knoop, H.H. (Professor). (2015, 12 augustus). Hans Henrik Knoop - World Gifted 2015. [Online video]. Geraadpleegd op 01/06/2018 via https://www.youtube.com/watch?v=SUps5dYvQJw.