Paper

print

  • Een paper is een schriftelijk product dat op verschillende wijzen ingevuld kan worden.  Er worden soms ook andere termen voor gebruikt  zoals: werkstuk, essay, verslag, …  Het begrip paper wordt bijv. gebruikt voor schrijfopdrachten waarin je:
    • aantoont dat je de inhouden van het vakgebied beheerst;
    • een case uit de beroepspraktijk bespreekt;
    • je eigen mening verwoordt aan de hand van argumenten en feiten;
    • een wetenschappelijke tekst van beperkte lengte schrijft;
    • schriftelijk verslag uitbrengt over hoe je een probleem uit je vakgebied hebt aangepakt.
  • Lees dus grondig de instructies en informeer bij de docent wat hij verwacht van jou. Soms moet die tekst een vaste wetenschappelijke opbouw hebben:
    • een probleemstelling of onderzoeksvraag;
    • een theoretisch deel: een samenvatting van bestaande literatuur en artikels over je onderwerp;
    • een empirisch deel: eigen onderzoek;
    • een duidelijke eindboodschap: een antwoord op de probleemstelling of de onderzoeksvraag.
  • Zorg dat je goed weet wat de docent van je verwacht en dat je zicht hebt op de beoordelingscriteria. Mogelijke beoordelingscriteria zijn: inhoudelijke beheersing, inzicht, beargumenteerde opinie, duidelijk standpunt, logische opbouw, kritische ingesteldheid,…
  • Zorg ervoor dat je paper logisch opgebouwd is. Bij de bespreking van een probleem bijvoorbeeld wordt eerst het probleem uitgelegd en pas daarna worden de oorzaken toegelicht. Om een logische opbouw in je paper te krijgen, maak je het best vooraf een schema om je gedachten te ordenen.
  • Maak alinea’s. Alinea’s mogen niet te lang of niet te kort zijn. Een alinea is gemiddeld 6 zinnen of 10 regels lang. Scheid je alinea’s door witregels, zodat je aparte blokjes tekst krijgt.
  • De tekst bevat een inleiding. Hierin wordt het onderwerp van de tekst duidelijk. Je paper valt niet met de deur in huis, maar ‘leidt’ het onderwerp in. De inleiding wordt meestal als laatste geschreven omdat je daarin ook het proces beschrijft. Dit geldt zeker bij ‘lijvige’ werken.
  • Op het einde van de tekst staat een samenvatting of besluit. Daarin mag geen nieuwe informatie staan. De slotalinea benadrukt de belangrijkste elementen uit de tekst of laat de lezer verder nadenken over het onderwerp.
  • Maak een inhoudstafel.
  • Besef dat je eerste versie nooit je definitieve versie is.
  • De alinea’s en zinnen zijn verbonden met verbindingswoorden zoals ten eerste, daarnaast, bovendien… Voorbeeld:

 

Tekst zonder verbindingswoorden

Tekst met verbindingswoorden

Eeneiige tweelingen beginnen hun leven met dezelfde genen. De ene kan een erfelijke kwaal krijgen en de andere niet. Chemische veranderingen in het DNA kunnen een rol spelen. Er werd een man met diabetes gevonden. Het betrokken gen stond ‘aan’. Zijn broer had nergens last van.

Eeneiige tweelingen beginnen hun leven met dezelfde genen. Toch kan de ene een erfelijke kwaal krijgen en de andere niet. Hierbij kunnen chemische veranderingen in het DNA  een rol spelen. Zo werd een man met diabetes gevonden, bij wie het betrokken gen ‘aan’ stond, terwijl zijn broer nergens last van had

 

De schrijfstijl hangt af van welk soort paper je moet schrijven: een wetenschappelijk paper vereist een andere stijl dan een betoog waarin je je eigen mening moet beargumenteren, of waarin je de lezer van een bepaald standpunt wilt overtuigen. Vraag na of je voorbeelden van papers mag inkijken om een idee te krijgen.
Er zijn een aantal algemene tips:

  • Schrijf niet te informeel of in spreektaal. Hoewel een paper niet te plechtig of afstandelijk hoeft te klinken, moet de taal wel verzorgd en zakelijk genoeg blijven.
  • Gebruik geen te formele of archaïsche woorden.
  • Lange zinnen zijn meestal moeilijker te lezen dan korte zinnen. Vermijd ook te lange opsommingen.
  • Schrijf zo actief mogelijk.Een teveel aan passieve constructies maakt je paper indirect, zakelijk en afstandelijk.
  • Vermijd een opeenstapeling van ‘men’: ‘men’ is een vaag woord, omdat het verschillende betekenissen kan hebben
  • Voorkom het gebruik van steeds hetzelfde woord in een zin of alinea (bijvoorbeeld: ‘uit onderzoek blijkt dat…’). Het leest prettiger als er variatie in de woordkeuze is. Zoek eventueel synoniemen op http://www.synoniemen.net/.
  • Gebruik de tegenwoordige en de verleden tijd niet door elkaar.
  • Gebruik lezersaanduidingen zoals ’ je’ en ‘u’ niet door elkaar.


In deze bijlage vind je concrete voorbeelden bij deze tips: wat is een geschikte schrijfstijl, wat is een minder geschikte schrijfstijl?

In eerste instantie volg je de richtlijnen die je hierover gekregen hebt van de verantwoordelijke docent.  Een verzorgde lay-out is belangrijk, maar overdrijf niet: te veel aandacht voor ‘kleur en glans’ neemt de aandacht weg van de inhoud.

Voor een goede lay-out let je op het volgende:
• Kies een lettertype dat zakelijk is, groot genoeg en duidelijk leesbaar. Een voorbeeld is het lettertype Calibri, puntgrootte 11.
• Plaats niet te veel tekst op een pagina. Zorg voor voldoende witruimte. Zo wordt rust gecreëerd. Een overvolle pagina schrikt je lezer af.
Alinea’s zijn het best niet te lang of niet te kort. Een alinea is gemiddeld 6 zinnen of 10 regels lang.
• Als je op een woord de nadruk wilt leggen, zet dat dan vet of cursief maar niet in hoofdletters. Wees ook zuinig met onderstrepen.
• Als je met hoofdstukken werkt, kan je die nummeren.
• Schrijf getallen onder twintig voluit, net als tientallen tot honderd, honderdtallen tot duizend, enz.

 

In deze bijlage vind je concrete voorbeelden bij deze tips: wat is een geschikte lay-out, wat is een minder geschikte lay-out?

 

Docenten storen zich bij het nalezen van papers vaak aan onderstaande elementen. Let dus extra op deze elementen:

  • De inhoud en de opbouw van de paper die mank loopt.
  • Vormelijke fouten, spellingsfouten en grammaticale fouten. Trek tijd uit om je paper na te lezen. Laat je paper ook door twee andere personen nalezen. De correcte schrijfwijze vind je in het Groene Boekje dat ook online staat op www.woordenlijst.org. Twee websites met betrouwbaar taaladvies voor Vlaanderen zijn: www.taaladvies.net en de taalkwesties op www.vrttaal.net.
  • Een ellenlange literatuurlijst, louter om indruk te maken. Neem alleen bronnen op in de lijst die je effectief hebt gelezen en gebruikt.
  • Te veel ‘toeters en bellen’ in de lay-out: slecht leesbare lettertypes, veel glanzend en gekleurd papier,…
  • Noodzakelijke informatie die ontbreekt (voorbeeld: klasgroep, naam, studentnummer, paginanummering…).
     

In deze bijlage vind je voorbeelden van enkele veelgemaakte fouten.

Als je teksten schrijft, gebruik je boeken, vaktijdschriften, internetbronnen, werk van andere studenten over het onderwerp. Als je in je tekst woorden of ideeën van anderen gebruikt, is het belangrijk om dat te vermelden om plagiaat te vermijden. Je kunt zowel citeren, parafraseren als refereren:

  • citeren: je neemt iemands woorden letterlijk over en verwijst naar de auteur. Bij letterlijk citeren gebruik je aanhalingstekens.
  • parafraseren: je gebruikt je eigen woorden om de ideeën of woorden van een ander weer te geven, je formuleert je eigen idee erover en vermeldt de bron.
  • refereren: je vermeldt ideeën, methoden of bevindingen van anderen, met verwijzing naar de oorspronkelijke bron.

 

Volgende tips zijn belangrijk voor een correct gebruik van bronnen:

  • Verdiep je in de instructies, tips en uitleg over correcte bronvermelding en over hoe je plagiaat vermijdt.
  • Ga na in de instructies welk systeem van bronvermelding je moet hanteren, bijvoorbeeld APA, Chicago, MLA-stijl,…
  • Je kan in Microsoft Office Word 2007 automatisch een bibliografie genereren op basis van de broninformatie die je aanlevert via ‘verwijzingen’ – ‘citaten en bibliografie’.  Je kan hierbij de stijl (APA, Chicago e.d.) kiezen. Houd dat vanaf het begin systematisch bij, dat spaart veel werk uit op het einde.
  • Iets op internet vinden, betekent niet dat dat ‘publiek eigendom’ is. Pas dus op met ‘knippen en plakken’ van internet: ook hier gelden de regels van correcte bronvermelding.
  • Tegenwoordig bestaan er verschillende programma’s om plagiaat op te sporen. Als plagiaat ontdekt wordt binnen jouw werk zullen er sancties volgen. Die worden in jouw opleiding vastgelegd. Lees na in het onderwijs- en examenreglement wat de gevolgen zijn indien er sprake is van plagiaat: dat kan variëren van een aanpassing van het cijfer, de vernietiging van een cijfer tot het verlies van het recht om nog examens af te leggen tijdens dat academiejaar of het verlies van het recht op inschrijving voor het volgende academiejaar.

    De Wachter, L. (2010). Taal@hogeronderwijs. Leuven: Acco.

    -->

  • De Wachter, L. & Van Soom, C. (2008). Academisch schrijven. Een praktische gids. Leuven: Acco.
  • Hermans, M. (2006). Schrijven met effect. Stijlcursus doeltreffend formuleren. Bussum: Coutinho.
  • http://www.studiecoach.ou.nl/schrijven/index.php

    -->