’Bezint eer ge begint’ te antwoorden

  • Lees eerst alle vragen door. Zo kan je inschatten voor welke grote of moeilijke vragen je meer tijd nodig hebt.
  • Herken de verschillende soorten open vragen. Hoeveel antwoordruimte heb je? Moet je bondig antwoorden of wordt er verwacht dat je een lange open tekst schrijft? De omvang van het antwoord kan variëren van één woord tot een uitgebreide tekst.
    • Bij een invulvraag moet je slechts een of enkele woorden invullen.
      • Voorbeeld: In welk land ontspringt de Maas?
    • Bij een kortantwoordvraag moet je een kort antwoord geven. Die vragen beginnen vaak met ‘wie, wat, wanneer, waar, welke, noem, geef…’
      • Voorbeeld: Geef de definitie van het begrip ‘democratie’.
    • Bij een essayvraag moet je een uitgebreider antwoord schrijven. Die vragen beginnen vaak met ‘beschrijf, leg uit, beargumenteer…’
      • Voorbeeld: Verklaar de geografische ligging van het Oude Egypte.
  • Kijk naar de puntenverdeling/weging per vraag: Hoeveel punten kan je verdienen per vraag? Hou hiermee rekening bij het indelen van je beschikbare tijd.
  • Maak bij elke vraag snel enkele aantekeningen op je kladblad over wat je te binnen schiet.
  • Kijk ook of er op de achterkant van het vragenblad vragen staan.
  • Begin met de vragen die je makkelijk lijken. Nadien kan je je concentreren op moeilijkere vragen.