Hoe verloopt zo'n interview?

  • Je weet van te voren welke competenties getoetst worden en op welk niveau.
  • Meestal worden er per interview maximaal 2 à 3 competenties getoetst, want de bespreking van de situaties en hoe jij daarin handelde, is zéér tijdsintensief.
  • Dikwijls is er meer dan één beoordelaar aanwezig (een jury).
  • Het interview verloopt volgens een vaste structuur. Er is steeds sprake van de volgende fasen:
    • De inleiding, verwelkoming: je wordt op je gemak gesteld, het doel wordt nog eens overlopen, de werkwijze toegelicht, wederzijdse verwachtingen en eventuele onduidelijkheden worden besproken.
    • De vaststelling van de competentie(s) die centraal staan. In sommige gevallen wordt er gekozen uit een aantal competenties door de student of door de docent.
    • De bespreking van situaties waarin je de competenties beheerst met behulp van een vraagmethodiek.
    • De afronding: samenvatting, verdere verloop van de procedure, afspraken over bekendmaking van de resultaten.
  • Per competentie worden dezelfde soort vragen gesteld in dezelfde volgorde. Een veel gebruikt model daarvoor is het zogenaamde ‘STARR-model’:
    • S= Situatie: wat speelde er precies?
      Vragen als: Hoe zag de situatie eruit? Wie waren aanwezig (vb. collega’s, klanten, leerlingen, patiënten)? In welke context  (vb. klas, afdeling, school, bedrijf,…)?
    • T = Taak: wat waren jouw taken?
      Vragen als: Welke verantwoordelijkheid kreeg je? Met wie werkte je samen? Wat werd er door de stageplaats (school, bedrijf, ziekenhuisafdeling, …) van je verwacht in deze situatie?
    • A = Actie: wat heb je concreet gezegd of gedaan? Hoe heb je het aangepakt?
      Vragen als: Wat zei je precies? Hoe reageerde je? Welke handelingen deed je eerst en wat daarna? Hoe gebruikte je de aanwezige middelen ter beschikking?..
    • R = Resultaat: Wat gebeurde er daarna? Wat was het resultaat of effect van jouw aanpak?
      Vragen als: Hoe reageerde de leerling, de patiënt, de klant? Wat deed het bedrijf met jouw plan/advies?
    • R = Reflectie: een terugblik op de handelingen in de situatie.
      Vragen als: Wat heb je uit geleerd? Zou je het achteraf anders doen?